Klacht bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens niet ontvankelijk verklaard. 12/11/1012

Wij ontvingen een ontvankelijkheidbeslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de klachtprocedure van de heren Ramaer en Van Willigen.

 De klacht met betrekking tot het recht op ongestoord eigendomsgenot als bedoeld in art. 1 EP:     Hiervan heeft het EHRM geoordeeld dat de (particuliere) zorgverzekeringen niet vallen aan te merken als ‘possession’ als bedoeld in art. 1 EP. Hoewel wij volgens het Hof mochten hopen dat deze verzekeringen ook na 1 januari 2006 onder vergelijkbare voorwaarden zouden worden verlengd, kwalificeert dat volgens het EHRM namelijk niet als ‘legitieme verwachting’ waarvoor art.1 EP bescherming biedt. Dit onder meer omdat noch in de wet noch in de jurisprudentie ‘hard’ was bepaald dat zorgverzekeringen (altijd) onder vergelijkbare  voorwaarden jaarlijks moesten worden gecontinueerd.

Het gelijkheidsbeginsel: Het EHRM heeft onderkend dat niet-ingezetenen anders zijn behandeld dan ingezetenen bij de herziening van het zorgverzekeringsstelsel, maar volgens het EHRM is er echter geen sprake van ‘vergelijkbare gevallen’. Volgens het EHRM was de Zorgverzekeringswet primair bedoeld om een zorgverzekeringssysteem te creëren voor het Nederlandse grondgebied, niet voor het buitenland. Niet-ingezetenen vallen volgens het EHRM – door hun keuze om in een ander EU-land te gaan wonen – ook niet onder die wet maar onder de Europese verordening die bepaalt dat zij recht hebben op de zorg van dat EU-land. Dit maakt volgens het EHRM de situatie van ingezetenen anders dan die van niet-ingezetenen, wat er dan automatisch in resulteert dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen (omdat er geen sprake is van gelijke gevallen).  
      Het recht op een eerlijk proces. Wij hadden nog geklaagd over de overweging van de CRvB dat sprake is geweest van ‘bestuurlijke naïviteit’, zonder dat daar gevolgen aan zijn verbonden. Dit heeft het EHRM terzijde geschoven met de overweging dat sprake is geweest van uitvoerige nationale procedures en dat het niet zijn taak is om deze procedures (als vierde instantie) nog eens opnieuw te doen.

      Bestuur SBNGB