Naar aanleiding van het kortgeding:

De President stelt de gepensioneerden voor de helft in het gelijk.

Het vonnis van de President heeft het karakter van een Salomonsoordeel. De kortgedingrechter kan wetgeving slechts buiten werking stellen wanneer deze onmiskenbaar onverbindend is. Ondanks deze beperking heeft de President de Staat verboden de AWBZ-component in de totale verplichte bijdrage - die ongeveer de helft van de totale bijdrage beloopt en kan oplopen tot 2700 EUR per jaar - in rekening te brengen voor zover deze de afdracht van Nederland aan het betrokken woonland terzake van AWBZ-achtige verstrekkingen te boven gaat. De President acht de Nederlandse regelgeving in dit opzicht onmiskenbaar onverbindend, mede in het licht van het door het EG-Verdrag gewaarborgde vrij verkeer van personen. Aangezien in de meeste landen AWBZ-achtige verstrekkingen niet of nauwelijks bestaan, betekent dit dat Nederland in de meeste gevallen geen of slechts een zeer beperkt deel van de AWBZ-component in rekening zal kunnen brengen. Het zal aan de Staat zijn om aan te tonen in hoeverre een bijdrage wl gerechtvaardigd is.

Het betreft een voorlopige maatregel, die van kracht blijft totdat definitief zal zijn beslist in een zogenaamde bodemprocedure. Deze moet op grond van het kortgedingvonnis binnen een maand worden aangespannen. Het kan jaren duren totdat een definitieve uitspraak volgt. In de tussentijd blijft de voorlopige maatregel van kracht.

De President heeft niet willen ingrijpen in de door de Nederlandse wetgever aan in het buitenland wonende gepensioneerden opgelegde verplichting om zich aan te sluiten bij het ziekenfonds van de woonplaats en de daarmee samenhangende bijdrage voor ziektekosten (EUR 851 plus inkomensafhankelijke bijdrage) aan het CVZ te betalen. Hij acht de Nederlandse wetgeving op dit punt niet onmiskenbaar onverenigbaar met het Europese recht. Dit betekent dat gepensioneerden vooralsnog genoodzaakt zijn zich met een E121-formulier aan te melden bij het lokale ziekenfonds. De President baseert zijn vonnis op dit punt op een uitleg van het Europese recht die door ons wordt betwist. Wij beraden ons in samenspraak met onze advocaat over een eventueel hoger beroep tegen dit deel van de uitspraak. Daarnaast zullen wij in ieder geval in de bodemprocedure de aansluitplicht opnieuw aanvechten. Daarnaast blijven wij van oordeel dat de Staat in ieder geval de mogelijkheid heeft - ook vanuit Europeesrechtelijk perspectief, om een totale opt out voor in het buitenland wonende gepensioneerden te realiseren. Dit is niet iets wat door de rechter kan worden afgedwongen, maar wl iets wat juridisch mogelijk is.

De conclusie luidt dat de President in ieder geval op een zeer wezenlijk onderdeel de Staat in het ongelijk heeft gesteld. Daarmee is de juridische strijd nog lang niet ten einde, maar een eerste belangrijke stap in de richting van een aanvaardbare oplossing van het totale probleem is hiermee in ieder geval gezet.

VNGB